Waarschijnlijk herken je het wel, je jonge kind begrijpt er niets van als je zegt ‘nu mag het niet maar morgen kan het wel’. Voor jonge kinderen is het onduidelijk wanneer morgen is. Maar wanneer krijgen kinderen dan wel tijdsbesef? En hoe kan je het tijdsbesef bij je kind stimuleren? Daar lees je in deze blog alles over!

Kinderen tot 3 jaar
Tot de drie jaar hebben kinderen eigenlijk nog geen tijdsbesef. Als je tegen je kind, van onder de drie, zegt: ‘vandaag mag je geen ijsje maar morgen mag je dit wel’, dan heeft je kind hoogstwaarschijnlijk geen idee wat ‘morgen’ is. Bij kinderen van deze leeftijd lijkt het echter wel alsof ze al redelijk wat tijdsbesef hebben omdat ze wel heel goed weten wanneer er bijvoorbeeld fruit gegeten wordt op een dag, wanneer ze tv mogen kijken en ze kunnen zich ineens heel goed verstoppen als het tijd is om naar bed te gaan. Kinderen weten dit niet goed door het tijdsbesef maar weten dit goed omdat ze de structuur van hun dag kennen. De meeste kinderen hebben een aardig vaste structuur van opstaan, ontbijten, naar bijvoorbeeld de opvang gaan, fruit eten, buitenspelen, lunchen, slapen, etc. Ze weten dus: als ik mijn boterham heb gegeten ga ik naar bed. Structuur helpt jonge kinderen dus goed. Als je tegen een kind zegt: ‘je gaat straks naar bed’ dan heeft je kind hier weinig aan op deze leeftijd. Wat je wel zou kunnen zeggen is:’Na het tandenpoetsen en het verhaaltje ga je naar bed’. Door je (jonge) kind een vaste structuur te geven, leert je kind ook steeds meer over tijdsbesef.

Kleuters (4 & 5 jaar)
Als kinderen ongeveer 5 jaar oud zijn begrijpen ze begrippen als: morgen, gister of straks steeds beter. Het tijdsbesef is echter nog wel veelal gekoppeld aan de activiteiten die het kind onderneemt. Zo betekent het dat het weekend is als je niet naar school gaat. In groep 1 besteden ze aandacht aan de dagen van de week maar dit blijft voor de kleuters vaak nog wel erg lastig. Vaak wordt er door de kinderen dan een kleur gegeven aan elke dag. Dit helpt hen de dagen te onthouden. Ongeveer de helft van de vijf-jarigen zou je ook kunnen vertellen in welk jaargetij we nu zitten.

Kinderen van 6 jaar
Kinderen rond de zes jaar kunnen je vertellen welk dagdeel het is op dat moment, dus ochtend, middag of avond. Ook kennen ze nu de dagen van de week, de seizoenen en de maanden. Ook kunnen ze deze op de juiste volgorde opnoemen. Vanaf deze leeftijd leren kinderen langzaamaan met klokkijken. Op school oefenen de kinderen eerst met de analoge klok en later met de digitale klok. De digitale klok is vaak vertrouwder voor kinderen omdat ze dit veel vaker zien dan de analoge klok. Denk bijvoorbeeld aan het tv-kastje, de tablet, de computer en de mobiel, allemaal voorwerpen dat je kind relatief vaak ziet en waar de tijd digitaal op afgebeeld staat. Kinderen van deze leeftijd krijgen het besef dat 14:00 later op de dag is als 12:00. Tijden als 12:15 en 12:45 zijn nog lastig te benoemen als ‘kwart over’ of ‘kwart voor’. Wel kunnen kinderen aan de tijd zien dat het bijvoorbeeld bijna bedtijd is.

Kinderen van 8/9 jaar
Kinderen kunnen vaak vanaf deze leeftijd goed klokkijken. Klokkijken vereist een abstract denkniveau. Bij het analoog klokkijken komen begrippen als ‘voor’ en ‘over’ kijken. Dit is voor kinderen soms nog lastig uit elkaar te houden. Om goed de analoge klok te begrijpen moet je ook kunnen begrijpen dat er 60 minuten in een uur zitten en wat kwarten en halven zijn. Het is vaak ook nog lastig als het bijvoorbeeld 09:20 is, op de analoge klok staat de wijzer toch echt dichter naar de 9 maar je hebt het toch al over ’10 voor half 10′. Ook de digitale klok kan soms nog erg ingewikkeld zijn. Zo is een digitale klok die enkel tot 12 gaat een stuk makkelijker als een klok die tot 24 gaat.

Kinderen leren op school al veel over tijdbesef, bijvoorbeeld omdat dit in de kring besproken wordt en omdat hen aangeleerd wordt hoe je moet klokkijken. Als ouder kan je ook verschillende dingen doen om het tijdsbesef van je kind te stimuleren:

  • Bied je jonge kind structuur zodat het leert hoe een dag verloopt en wanneer wat gebeurd.
  • Benoem van jongs af aan als de verschillende tijdsbegrippen en ondersteun dit met praktische informatie
  • Benoem abstracte begrippen als de seizoenen, de dagen van de week, het dagdelen leg uit wat begrippen als ‘straks’ en ‘morgen’ betekenen. Dit helpt je kind om grip te krijgen op deze begrippen.
  • Leg verbanden tussen activiteiten en tijdsbegrippen. Een voorbeeld:’je hoeft vandaag niet naar school dus het is weekend’.
  • Weekplanners, aftelkalenders (nog 3  nachten slapen tot je jarig bent) kunnen (jonge) kinderen veel ondersteuning geven.
  • Kijk met je kind naar foto’s van vroeger: ‘hier was je een baby, hier een peuter en nu ben je al zo groot, je groeit en wordt ouder!’. Of plant een plant met je kind en bespreek de groei van de plant. ‘ De plant heeft een week nodig gehad om boven de grond te komen’ en: ‘de plant heeft iedere dag water nodig’.

Heb je nog meer vragen over tijdsbesef bij kinderen? Of heb je een andere vraag omtrent de opvoeding? Stuur dan een mailtje naar opvoeding@lauteropmaat.nl of bel naar 0644211781.

Groetjes Charlotte

Charlotte Jansen

www.lauteropmaat.nl
www.facebook.com/lauteropmaat
www.instagram.com/lauteropmaat